• Ron Steenkuijl
  • Karl Dittrich
  • Rienk Goodijk
  • Jan Stolker

“Kennis van technologie is tegenwoordig onmisbaar”

Toezichthouders in het commerciële bedrijfsleven hebben per definitie te maken met de druk van de markt. Aandeelhouders vragen om continuïteit, dividend en winst. Maar commissarissen dienen breder te kijken, stelt Ron Steenkuijl voorzitter van de Nederlandse vereniging van Commissarissen en Directeuren.

Samenkomen

“Je kunt je niet meer veroorloven om de tijd te nemen voor strategieontwikkeling. Zeker niet in deze disruptieve tijden, waarin businessmodellen in hoog tempo fundamenteel veranderen”, stelt Steenkuijl. “Het doel is de interne klok - het bedrijf - en de externe klok - de markt - met elkaar in lijn te houden. Op z’n minst moeten ze gelijklopen en idealiter loop je als bedrijf voor.” Om als Raad van Commissarissen effectief te kunnen werken, is het volgens hem veelal niet meer afdoende om zes tot zeven keer per jaar bij elkaar te komen om het bestuur te beoordelen en meerwaarde te realiseren.

Ruimte voor verbetering

Een Raad moet dichter op het bestuur zitten om zich ook meer op strategie te richten. De wet geeft inmiddels de mogelijkheid deze afstand te verkleinen door onder andere de stap van two-tier naar one-tier mogelijk te maken. De disruptie vraagt daarbij meer dan ooit om een gebalanceerde samenstelling van een Raad. Steenkuijl ziet ruimte voor verbetering. Met name als het gaat om aansluiting te vinden om technologisch gedreven strategische besluiten beter te kunnen beoordelen. Kennis over technologie gedreven businessmodellen is daarbij een must en ontbreekt veelal. “Dat is risicovol”, aldus Steenkuijl.

Moreel kader

Dat goed toezichthouden niet alleen gaat over kennis, kunde en regeltjes is volgens Steenkuijl vanzelfsprekend. “Het morele kader waarbinnen het toezichthouden zich afspeelt en hoe commissarissen elkaar hierop aanspreken, is net zo bepalend voor het succesvol functioneren van een Raad van Commissarissen.”

“Governance draait om normaal gedrag”

Horizontale verantwoording en effectiviteit boven efficiëntie. Toezicht op onderwijs heeft baat bij normaal gedrag, stelt Karl Dittrich, voorzitter van vereniging van universiteiten VSNU.

Juiste omstandigheden

“Een universiteit is een organisatie die uitnodigt tot tegenspraak. Je werkt met hoogopgeleide professionals”, zegt Dittrich. “Er is een balans nodig tussen besturen en het meenemen van professionals. Zij maken de kern uit van een instelling.” In de praktijk betekent dit het inbouwen van ‘checks & balances’. In de vorm van opleidingscommissies, examencommissies en verschillende raden bijvoorbeeld. Gevraagd naar het belang van efficiëntie hierbij, merkt Dittrich op dat effectiviteit belangrijker is binnen het universiteitswezen. “ Goed onderwijs en onderzoek staan voorop. Het besturen van een universiteit betekent dan ook de juiste omstandigheden hiervoor creëren.”

Ruimte voor discussie

Dittrich stelt het heel eenvoudig: goed toezicht gaat over normaal gedrag en er dient horizontale verantwoording te zijn om de vinger aan de pols te houden. Dat het toezicht onder een vergrootglas ligt van de maatschappij en er dingen misgaan, mag niet zorgen voor risicoaversie. “Zaken dichttimmeren met regels werkt niet. We kunnen ons beter richten op het herstellen van vertrouwen. Het zijn de excessen die het nieuws halen. Mensen zijn doorgaans van goede wil. Je moet als instelling de ruimte hebben om zelf zaken aan te passen, wanneer er iets misgaat.” Wat is hiervoor nodig? “We moeten bereid zijn naar elkaar te luisteren en elkaars visie ter discussie te stellen. Met de juiste controlemomenten resulteert dat in goed bestuur.”

“Raden laten zich steeds vaker samen bijscholen”

Als het gaat om de zorgkwaliteit kijkt het hele land mee. En dat stelt extra eisen aan toezichthouders, zegt Rienk Goodijk, voorzitter van de Wetenschappelijke Adviesraad die ingesteld is door de vereniging voor toezichthouders in zorg en welzijn, de NVTZ.

Rolverdeling

“In de zorg is aandacht voor de inhoud, het primair proces, erg belangrijk”, stelt Goodijk. “Dat betekent een toenemende vraag naar toezichthouders met een zorginhoudelijke achtergrond.” Tegelijkertijd blijkt er sprake van een nieuwe dynamiek, de groei van aparte commissies Kwaliteit en Veiligheid, meer afstemming tussen de Raad van Toezicht en inspectie. “Dat vraagt wel om een zorgvuldige rolverdeling tussen bestuur en intern toezicht. Ieder heeft z’n eigen verantwoordelijkheid.” Om efficiënt toezicht uit te oefenen, moeten ook agendapunten goed geprioriteerd worden. Wat terugslaat op de zoekvraag naar toezichthouders met inhoudelijke kennis. Goodijk: “Een Raad van Toezicht moet zich samen met bestuurders actief inzetten om de belangrijkste punten te benoemen. Dat is een dialoog waarbij sprake moet zijn van daadwerkelijk partnerschap.”

Blijven ontwikkelen

Hij merkt daarbij op dat er voor toezichthouders nog ruimte ligt in het proactief inspelen op situaties. Bijvoorbeeld door niet alleen stukken achteraf in te zien – en alleen controle uit te oefenen – maar door ook zelf vroegtijdig speerpunten en risico’s aan te kaarten. En dat vraagt om goed samenspel binnen een raad. “Ik zie dat hele teams steeds vaker samen een cursus of opleiding volgen. Buiten het kennen van de inhoud en dynamiek van de zorg is het intern functioneren sterk afhankelijk van hoe goed je op elkaar ingespeeld bent.” Zeker wanneer er zich ontwikkelingen voordoen die de interesse wekken van de buitenwereld, vervolgt Goodijk. “Er zijn grote publieke belangen. Veel mensen vinden wat van dingen die voorvallen. Je moet niet alleen intern goed communiceren, maar ook richting de buitenwereld je rol en verantwoordelijkheid kennen.”

“Het gaat mis als je de hoofdoelstelling uit het oog verliest”

Met het veranderde businessmodel van woningcorporaties had ook het toezicht moeten worden geprofessionaliseerd, stelt Jan Stolker, programmadirecteur van het ESAA programma ‘Commissarissen en Toezichthouders’ van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Meer beleidsruimte

Woningcorporaties kennen stakeholders, maar geen aandeelhouders. Daardoor missen zij de discipline van een financieel belanghebbende. De eindverantwoordelijke, de overheid, staat er verder vanaf en ziet alleen de resultaten, zegt Stolker. “Er mist een correctiefactor. Daar zal de sector wat op moeten vinden.” Doordat de corporaties door de tijd in een ander, commerciëler kader zijn geplaatst dan alleen dat van sociale woningvoorziener, ontstond er meer beleidsruimte voor directies. Het is duidelijk dat enkelen de hoofddoelstelling uit het oog zijn verloren: goedkope en goede woningen aanbieden. Toch had het met goed toezicht niet zover hoeven komen. “Het businessmodel van corporaties is veranderd, maar het toezicht is daar niet op aangepast. Waar toezichthouders zich eerder eigenlijk alleen op huurdersbelangen hoefden te richten, blijkt uit de parlementaire enquêtecommissie dat ze ook verstand moesten hebben van bankieren.”

Constructief kritisch

Sprekend over enkele excessen, benadrukt Stolker dat veel corporaties hun zaken goed op orde hebben. Bijvoorbeeld doordat commissarissen elkaar onderling de maat durven te nemen, maar ook een constructief kritische houding hebben tegenover de Raad van Bestuur. En, voegt hij toe, zeker bij het afnemen van complexe financiële producten is het nodig dat alle stakeholders goed begrijpen wat ze in huis halen. “Toezichthouden is uitgegroeid tot een serieus vak waarin je nu eenmaal moeilijkheden tegenkomt. Die mag je niet uit de weg gaan.”