De inzet van machines is een ontwikkeling die al heel lang gaande is. “Al vanaf het begin van de industriële revolutie”, zegt Maurice van de Laar, plant projects manager bij Faurecia Emissions Control Technologies in Roermond. “Toen al waren mensen bang dat er minder werk voor hen zou overblijven. En later waren mensen bang voor de komst van auto’s of van computers. Die discussies spelen altijd bij veranderingen.”

Gegroeid

Dat de angst niet terecht is, illustreert Van de Laar met zijn eigen situatie. “Wij werkten vroeger met nog geen driehonderd mensen. Wij maken nog steeds dezelfde producten en ondanks de automatisering zijn we gegroeid naar meer dan vierhonderd medewerkers.

Door efficiëntere productie verbeter je je concurrentiepositie en kun je als bedrijf groeien. We moeten tegenwoordig concurreren met goedkope landen in Oost-Europa. Als opdrachten daar worden uitgevoerd, zou dat hier banen kosten. Maar door robots in te zetten, dalen hier de kosten en kan het werk toch in Nederland blijven.”

Bovendien is er geschoold personeel nodig voor het onderhoud van de robots, het werken met nieuwe technologieën en het schrijven van computerprogramma’s. Daarin kunnen medewerkers zich blijven ontwikkelen en specialiseren. Van de Laar vindt het daarom belangrijk dat de overheid investeert in opleiding van technisch personeel. “Daarnaast komt er ruimte voor andere bedrijvigheid, zoals bedrijven die de robots maken en bedrijven die deze koppelen aan bestaande machines. Ik verwacht een groei van dat soort bedrijven. Dat is goed voor de werkgelegenheid.”

Zo betekenen veranderingen vaak een verschuiving op het gebied van werkgelegenheid. Als Nederland niet automatiseert, dan gaat veel werk naar landen met lage lonen, stelt Van de Laar. “Je moet daarom die verschuivingen niet tegenhouden. Het is beter om met de veranderingen mee te gaan.”