Twee vaders en twee zoons delen de ervaringen die ze opdeden in hun eigen familiebedrijven.

De sfeer is goed, op deze woensdagavond in februari. De twee families ontmoeten elkaar in Papa’s Beach House in Hoofddorp, een van de horecagelegenheden van Claus Company. Alexander Claus (1984) is er kind aan huis, dat valt meteen op. Leo Claus (1954) en Bob de Kuyper (1950) spreken er maandelijks af met een clubje ondernemers. Met zijn jongste zoon, ook werkzaam voor distilleerderij Koninklijke De Kuyper, Remy de Kuyper (1981), is het viertal compleet.

Belang van continuïteit

Al snel komt het gesprek op de kracht van familiebedrijven: het belang van continuïteit. Privébelangen zijn secundair aan het bedrijfsbelang. In tijden van crisis zijn familiebedrijven zuinig en wachten ze betere tijden af, zegt Bob de Kuyper. Werknemers waarderen de sfeer en de directheid. Klanten en leveranciers worden met net iets meer aandacht benaderd, aldus Leo Claus. Beide ondernemingen blijken graag samen te werken met andere familiebedrijven. Die delen dezelfde waarden, de omgang is makkelijk.

Maar een familiebedrijf runnen, betekent ook dat je een familie moet runnen, zo zal De Kuyper senior later op de avond concluderen. En dat is niet altijd makkelijk, want sommige emoties kun je nu eenmaal niet uitschakelen. Samenwerking tussen broers en zussen gaat vaak goed, met neefjes en nichtjes wordt al lastiger. En vergeet de invloed van de koude kant niet. Wat is de beste taakverdeling? Hoe wordt de opvolging geregeld? En hoe neem je zo rationeel mogelijk de beste beslissingen? Bij Claus zijn ze daar de afgelopen jaren intensief mee bezig geweest.

Het belangrijkste is dat je samen bespreekt hoe je dingen ziet.

Hoe gaat dat in zijn werk?

Leo Claus: Ik run het bedrijf samen met mijn broer. Dat gaat eigenlijk heel goed, we vullen elkaar goed aan. Met zijn tweeën is het bovendien makkelijk alles delen. Maar mijn broer heeft drie kinderen, ik heb drie kinderen, en die zijn nu bijna allemaal tussen de 20 en 30 jaar oud.

Ik ben heel blij dat we een externe specialist hebben gezocht om tot een familiestatuut te komen. Hij sprak eerst met ons, maar daarna zei hij: verder ga ik vooral met de kinderen praten. Want uiteindelijk zal het draaien om wat zij vinden. Het grappige vind ik dat die kinderen onder elkaar heel goed blijken te weten hoe het zit. Ze zien precies: hij is sterk in dit, zij is goed in dat, ik kan weer iets anders.

Alex Claus: In het begin is dat aftasten, is iedereen heel politiek correct. Maar als je een beetje blijft wroeten, komen er kleine irritaties en onzekerheden, en daar moet je over praten. Er zijn heftige discussies gevoerd. Maar het belangrijkste is dat je samen bespreekt hoe je dingen ziet. Iedereen heeft het gevoel betrokken te zijn geweest bij het maken van het statuut.

Leo Claus: En het is ook echt niet zo dat dat nooit meer wordt veranderd, het is een levend document met uitgangspunten. Een belangrijk uitgangspunt is, vind ik: wie mag waar in het bedrijf werken?

Alex Claus (grinnikend): Of wie móét er in het bedrijf werken? Leo Claus (lachend): Je weet, de oudste moet. De anderen mogen kiezen. En dan serieuzer: Nee hoor, wij vinden het heel belangrijk dat iedereen in zijn leven gaat doen wat hij of zij leuk vindt.

Bob de Kuyper: Het belangrijkste van een familiestatuut, wij hebben er recent ook een opgesteld, is dat je afspraken maakt, nog voordat de kinderen op een leeftijd zijn dat die beslissingen gaan spelen. Emotioneel zal het altijd zijn, maar op die afspraken kun je terugvallen. Zo staat in ons statuut dat kinderen eerst minimaal drie jaar elders moeten hebben gewerkt en liever nog wat langer.

Uitvinden wat je echt leuk vindt, kun je beter buiten het familiebedrijf doen. Ga je bij het familiebedrijf werken en kom je er dan pas achter dat je dat niet leuk vindt, dan is iedereen boos. Bij een ander bedrijf is iedereen dat na een maand vergeten.

Je moet wel heel zeker zijn van je eigen capaciteiten op het moment dat je zegt dat je het wilt doen.

Stond voor jou ook altijd al vast dat je in het bedrijf zou gaan werken, Remy?

Remy de Kuyper: Nee. Ik ben ook niet de oudste, heb een oudere broer. Nu geldt die regel natuurlijk niet meer, maar hoe dat soort dingen vroeger gingen, heeft toch wel invloed, denk ik. Ons bedrijf was al zo oud en het ging altijd op die manier. Dat voel je. Je moet wel heel zeker zijn van je eigen capaciteiten op het moment dat je zegt dat je het wilt doen. Voor mij was het altijd zoeken. Ik ben blij dat mijn vader ons heel bewust zelf die keuze heeft gegeven.

Bob de Kuyper: Maar opa, mijn vader, was de jongste van het gezin. Remy de Kuyper: Dat gaf voor mij de doorslag om te zeggen: ik wil in het familiebedrijf, opa heeft het ook zo gedaan.

Komt je vader, inmiddels afgezwaaid als directeur, nog vaak over de vloer?

Remy de Kuyper: Ik zie hem vrij regelmatig, ja. Bob de Kuyper: Een paar keer per jaar. Nou ja, laten we zeggen: eens per maand. En soms op donderdagavond, als ze aan het borrelen zijn.

Remy de Kuyper: Hij komt niet naar de zaak om te kijken hoe de huidige directie het doet. Dat vind ik heel goed, want dat zie je toch ook weleens bij familiebedrijven. Hij vertrouwt het management.

Begin met een plannetje. Tien jaar is zo om hoor.

En het huidige management is geen lid van de familie?

Remy de Kuyper: Klopt. Misschien is dat makkelijker. Bob de Kuyper: Niet per se, je moet je opvolgers gewoon niet voor de voeten lopen. Alex Claus: Maar hoe moeilijk vindt u dat?

Bob de Kuyper: Ik heb zelf ervaren hoe moeilijk het voor mijn vader destijds was om afscheid te nemen. Ik heb altijd gezegd: ik ga niet met pensioen bij dit bedrijf. Ik stop op een gegeven moment en dan ga ik ook echt iets anders doen. Dan is dat zwarte gat helemaal niet zo groot.

Ik adviseer het anderen nu ook vaak: begin niet met nadenken over je opvolging als dat volgend jaar al is, of sterker nog, als ze aan je gaan vragen wanneer je nou eens vertrekt. Doe het tien jaar van tevoren. Begin met een plannetje. Tien jaar is zo om hoor.

Tien jaar van tevoren....bent u er inderdaad mee begonnen, meneer Claus?

Leo Claus: Anderhalf jaar geleden heb ik gezegd dat ik over drie jaar zou stoppen. Dat is nog maar anderhalf jaar. Langzaamaan begin je er wat bij te praten, maar dat is op zich ook niet zo erg.
Alex Claus: Langzaamaan ga je zelfs weer meer doen.

Leo Claus: Nee, ik moet eerlijk zeggen dat ik door die ontwikkeling die we de afgelopen jaren hebben meegemaakt, genoeg vertrouwen heb. Als ik er morgen niet meer zou zijn, weet ik dat er een geweldig team is dat het werk zo kan oppakken. En die zullen het anders doen. Misschien wel beter.