Ten opzicht van niet-familiebedrijven scoren familiebedrijven 4 procent beter op radicale innovatie; het ontwikkelen van nieuwe producten en diensten voor nieuwe klanten of markten. De langetermijnvisie speelt hierbij een belangrijke rol.

“Het bestuur van een familiebedrijf wordt niet afgerekend op het volgende kwartaal, wat bij bijvoorbeeld beursgenoteerde bedrijven gebruikelijker is”, stelt professor Henk Volberda van de Rotterdam School of Management, Erasmus Universiteit. Redenen hiervoor zijn de behoefte om managementtaken over te dragen aan de volgende generatie, de betrokkenheid van familieleden bij het bedrijf en hun onderlinge banden.

Co-creatie

Doordat de lijnen kort zijn – er is sprake van sterk transactioneel leiderschap - is de wendbaarheid van familiebedrijven doorgaans ook groter. Het management kan volgens Volberda snel inspelen op veranderingen en het businessmodel aanpassen om innovatie mogelijk te maken.

“Radicale innovatie lukt alleen als je je verdienmodel aanpast, waarde creëert en je deze waarde toegeëigend.” Niet in de laatste plaats doet een familiebedrijf dat in samenwerking haar omgeving. Het onderzoek toont aan dat de innovatiekracht niet zozeer vanuit de techniek komt, maar vanuit co-creatie.

Familiebedrijven werken vooral meer samen met private onderzoeksinstituten en commerciële laboratoria (+18 procent), leveranciers (+14 procent), en concurrenten (+12 procent). Volberda: “De banden met stakeholders zijn goed. De lokale verankering zorgt ervoor dat familiebedrijven goed opvangen wat er leeft in de omgeving. Ze weten vlot wat voor innovatie er nodig is om een volgende stap te zetten.”

Investeren in medewerkers

Tegenover de hiervoor genoemde punten staat wel dat familiebedrijven minder goed scoren op incrementele innovatie; het verder ontwikkelen van producten of diensten. Ook blijken zij ten opzichte van niet-familiebedrijven minder te investeren in medewerkers.

Volberda: “In combinatie met de bevinding dat familiebedrijven meer transactioneel leiderschap kennen, kan het een indicatie zijn dat vernieuwing bij hen meer vanuit de top plaats vindt. Maar er is meer onderzoek nodig om dit te bevestigen.”