Ilse Matser
Directeur van het Nederlands Centrum voor het Familiebedrijf

“Van alle bedrijven in Nederland is maar liefst 69 procent een familiebedrijf. Over de precieze definitie verschillen de meningen, maar ze zijn groot in aantal en leveren een belangrijke bijdrage aan de economie. Hun kracht schuilt overwegend in het hebben van betrokken aandeelhouders en een langetermijnvisie.

Onlangs trof ik daarvan een mooi voorbeeld in Duitsland; bij scheepswerf Meyer staat de zevende generatie aan het roer. Het bedrijf produceert zeer grote cruiseschepen. De werf heeft 2500 man personeel in dienst en voorziet een heel gebied van werkgelegenheid.

In al die jaren heeft de familie geïnvesteerd in de zaak en het personeel. En ze weet zich dus nog steeds te redden in een zeer internationale en concurrerende business.”

Betrokken en trots

“Hét familiebedrijf bestaat echter niet. Er zijn veel varianten van de familie-invloed op het bedrijf te onderscheiden. Kenmerkend is wel dat de familie erg betrokken is bij het bedrijf en er veel trots en waardering aan ontleent.

Dat familieleden achter de onderneming staan is een groot voordeel voor de continuïteit, omdat zij in zware economische tijden sneller zijn geneigd een buffer aan te leggen door een beloning af te wachten of extra eigen vermogen in het bedrijf te steken. Hierdoor wordt de afhankelijkheid van geldverstrekkers kleiner.

Daarnaast bestaat er veel passie voor en jarenlange kennis van het product. Een verschil met niet-familieondernemingen is in sommige gevallen de manier van professionalisering. Zo vergt het nog wel eens aanpassingen als een directeur van buiten komt.”

"Mede dankzij het creëren van een buffer vallen familiebedrijven minder snel om."

Buitenland

“Mede dankzij het creëren van een buffer vallen familiebedrijven minder snel om. Gezien hun wortels in de regio trekken ze bovendien minder vaak naar het buitenland, waardoor werkgelegenheid niet over de grens verdwijnt en er evenmin kennisverlies optreedt.

Niettemin denk ik wel dat zij hun rol nog meer kunnen uitbouwen en bijvoorbeeld vaker de samenwerking met onderwijs kunnen zoeken. Van Duitsland kunnen we bijvoorbeeld nog wat leren wat scholingsprogramma’s betreft.

De maakindustrie daar kent overigens nog veel familiebedrijven, zoals BMW en Miele. In de VS zijn die er relatief minder, terwijl landen als India en Zuid-Korea juist weer heel veel grote familiebedrijven tellen en waar de familie in de samenleving een belangrijkere rol speelt.”

Ontwikkelingen en kansen

“De hoop voor nu is dat de economie verder aantrekt. In de familiebedrijven gaat een aantal factoren spelen zoals de grotere rol van transparantie en een groeiend bewustzijn rondom governance. Ik zie kansen voor families om vanuit een sterk bewustzijn van hun eigen familiewaarden richting te geven aan de koers van de onderneming. We zien eveneens dat doordat de rol van banken minder prominent wordt, families nog meer als investeerder gaan optreden.

Tegelijkertijd spelen er algehele veranderingen in de bedrijfstakken, zoals in de detailhandel de verschuiving naar online. Successen uit het verleden bieden geen garanties en elk familiebedrijf moet goed bezien welke stappen zijn vereist voor de lange termijn. Is het bijvoorbeeld nodig om een extern iemand binnen te halen die op de ontwikkelingen kan inspelen? En wat valt er eventueel te behouden uit het verleden?”

Aandacht

“Al met al zie ik de toekomst van het familiebedrijf positief tegemoet. Zolang families zich maar bewust zijn van hun kracht en tegelijk ook van hun valkuilen. Persoonlijk hoop ik wel dat in het onderwijs –zoals in de bedrijfseconomische opleidingen in Nederland- meer aandacht komt voor familiebedrijfskunde.

Uiteindelijk zal dit leiden tot meer specifieke kennis bij ondernemers, managers en hun adviseurs. En dat stelt familiebedrijven mogelijk beter in staat om succesvol te blijven.”