Toen ik vijftien was ging ik vaak een broodje eten met de suppoosten,” vertelt Bernard Wientjes als we vragen naar zijn persoonlijke band met het Rijksmuseum in Amsterdam. “Ik zat hier om de hoek op school en verloor mijn hart aan de kunst.”

De voormalig roerganger van VNO-NCW is voorzitter van het Rijksmuseum Fonds, de steunstichting van het museum, dat dankzij giften onder meer aankopen, restauraties, wetenschappelijk onderzoek en educatieprojecten mogelijk maakt.

Wientjes: “Naast de sponsoring van het Nederlandse bedrijfsleven zijn we als Rijksmuseum afhankelijk van giften. Vaak zijn dat ondernemende families die het museum een warm hart toedragen. Families kunnen over elke euro zelf beslissen waar deze naar toe gaat, bijvoorbeeld om de jeugd met kunst in aanraking te laten komen.

Natuurlijk kijken we of het past binnen het beleid, maar daar kom je eigenlijk altijd uit. Er zijn weinig families die geen band met ons hebben. Dat past mooi bij de historie, het museum is immers opgericht door de koopmansfamilies uit de 18de eeuw.”

Lange termijn denken zit bij familiebedrijven in de genen, en dat past erg goed bij het Rijksmuseum.

Educatie

“Vanuit de families is er veel interesse voor educatie”, zegt Annemies Broekgaarden, hoofd Publiek & Educatie. “Met educatie geef je betekenis aan een collectie. Als je scholen bereikt, bereik je iedere laag van de samenleving. We hopen het zaadje te planten en passie teweeg te brengen zodat ze enthousiast worden en nog eens terugkomen.

Kinderen tot en met 18 jaar hebben gratis toegang en jaarlijks brengen meer dan honderdduizend leerlingen een bezoek aan het Rijksmuseum. Vijftigduizend leerlingen nemen een begeleid programma af. We hebben capaciteit om 28 klassen per dag een educatief programma aan te bieden. Dit is onmogelijk zonder de schenkingen van onder andere families.”

Wientjes zag in de afgelopen tien jaar de waardering voor het familiebedrijf terugkomen. “Voor de Nederlandse economie is de balans tussen sterke multinationals en sterke familiebedrijven. Voor het Rijksmuseum is dat niet anders. Lange termijn denken zit bij familiebedrijven in de genen, en dat past erg goed bij het Rijksmuseum.

Het familiebedrijf is de fundering en het leuke is dat je dat op meerdere plekken deze familienamen terugziet in het hoofdgebouw, bijvoorbeeld gegraveerd in de glas-in-loodramen naast de Nachtwacht of bij de trappen van de oude ingang.”

De Teekenschool

“We hebben de mooiste schatten van heel Nederland,” zegt Broekgaarden, “maar die zeggen pas iets als je die écht verbindt met mensen. Naast het educatieve aanbod in het hoofdgebouw hebben we in een apart gebouw naast het Rijksmuseum de Teekenschool ontwikkeld. Hier brengen we kinderen onder het motto ‘leren kijken door te doen’ op actieve manier in contact met de collectie.

De Teekenschool, door Pierre Cuypers gebouwd als centrum voor kunstonderwijs is in 1935 in gebruik genomen, maar had al tijden die functie niet meer. Tijdens de renovatie zagen we de kans om het een plek te geven in onze educatieve plannen. Omdat dit nooit was begroot hebben we dit alleen kunnen doen dankzij de giften van families en fondsen.

Het lesstof vervangend programma is uniek in binnen- en buitenland en daar zijn we trots op,” aldus Broekgaarden, die met haar team voor het educatieve programma Jij & de Gouden Eeuw meerdere prijzen ontving.

We willen zo laagdrempelig mogelijk zijn om de Nederlander het gevoel te geven dat het ook echt hun museum is.

Niet vanzelfsprekend

Vorig jaar wist het Rijksmuseum op een veiling in New York een bronzen sculptuur van de beroemde Nederlandse beeldhouwer Adriaen de Vries te bemachtigen. Het was de hoogste uitgave uit de geschiedenis van het Rijksmuseum: 22,5 miljoen euro. Wientjes: “Zonder de steun van families en het Rijksmuseum Fonds was deze aankoop nooit mogelijk geweest, want daar zit geen euro van de staat bij. Dit is een uitzonderlijk voorbeeld, voor elke aankoop is het museum afhankelijk van steun. Elke schenking is daarom belangrijk voor het museum.”

Het Rijksmuseum werd in 2014 door 2.5 miljoen bezoekers bezocht. Daarbij is het opvallend dat naast de toeristen het aantal Nederlandse bezoekers flink is toegenomen. “We bestaan dankzij het publiek,” zegt Broekgaarden, “en dus steken we er energie in om iedereen, van jong tot oud, zich welkom te laten voelen. We willen zo laagdrempelig mogelijk zijn om de Nederlander het gevoel te geven dat het ook echt hun museum is. Op dit moment is bijna de helft van alle bezoekers Nederlands. Voorheen was dat maar een kwart. ”

Volgens Wientjes komt dat met name door de dynamiek die is ontstaan sinds de overheid zich heeft teruggetrokken. “Je wordt gedwongen om veel klantgerichter aan de slag te gaan en dat uit zich in een veel betere beleving voor de bezoeker. Dan kan alleen in stand gehouden worden dankzij de steun van families. Dat dit niet vanzelfsprekend is, mogen we niet vergeten.”